De voorzetsels

Waar/Niet waar-vraag


Het kussen ligt naast de zetel.

Waar Niet waar


De televisie staat op de kleine kast.

Waar Niet waar


De kaars staat rechts naast de wereldbol.

Waar Niet waar


Het rode deken ligt links naast het groene kussen.

Waar Niet waar


Het kleine tafeltje staat tussen de kleine kast en de zetel.

Waar Niet waar


De lamp staat rechts van de televisie.

Waar Niet waar


Voor het raam hangt een oranje gordijn.

Waar Niet waar