De voorzetsels

Waar/Niet waar-vraag


De krant ligt onder de tafel.

Waar Niet waar


De tas staat voor de krant.

Waar Niet waar


Het boek ligt rechts van de krant.

Waar Niet waar


De tas staat tussen de krant en het boek.

Waar Niet waar


Het boek ligt onder de tas.

Waar Niet waar


Naast de krant staat de tas.

Waar Niet waar


Voor de tas ligt de krant.

Waar Niet waar