De voorzetsels

iDevice-pictogram Invuloefening
Staan, hangen of liggen. Vul de juiste vorm in.
  • Er twee bomen in de tuin.
  • Er een krant op de tafel.
  • Er een foto aan de muur.
  • Er een fles cola op het bureau.
  • Er drie jurken in de kast.
  • Er drie appels onder de tafel.
  • Er een man voor de deur.
  • Er een radio op de kast.
  • Er twee stoelen in mijn kamer.
  • Er een lamp boven haar bureau.