Vragen stellen: waarom-omdat 1

iDevice-pictogram Invuloefening
Lees de vragen. Formuleer een antwoord. Zet de woorden in de juiste volgorde.

1. Waarom eet je niet? Omdat / ik / vergeten ben / boterhammen / mijn / .

2. Waarom voel je je niet goed? Omdat / heb / ik / buikpijn / .

3. Waarom kom je zaterdag niet naar het feest? Omdat / zaterdag / werken /ik / moet / .

4. Waarom kijk je nu naar tv? Omdat / begint / The Simpsons / .

5. Waarom wil hij niet naar de bioscoop gaan? Omdat / moe / heel / is / hij / .

6. Waarom wandelt zij zo langzaam? Omdat / schoenen / haar / te / zijn / klein /.

7. Waarom ga je niet naar de tandarts? Omdat / ben / bang / ik / .

8. Waarom ga je op vakantie? Omdat / de zon / liggen / ik / wil / in /.

9. Waarom ga je niet met de tram? Omdat / Buzzy Pass / geen / ik / heb/.

10. Waarom nies je? Omdat / allergisch / voor / ben / ik / katten.


11. Waarom zijn zij weer te laat? Omdat / altijd/ heeft /tram 12/ vertraging.

12. Waarom studeren jullie Nederlands? Omdat / willen / we / met / mensen / praten /de / .

13. Waarom gaan ze vroeger naar huis? Omdat / laatste / bus / hun / vertrekt /straks / .

14. Waarom is ze zo triest? Omdat / haar opa / is / gestorven / .

15. Waarom kan je me niet helpen? Omdat / nu / ik / heb / geen tijd / .

16. Waarom blijft ze thuis? Omdat / kijken / wil /ze /naar een mooie film op tv / .

17. Waarom heb jij je huiswerk niet gemaakt? Omdat / de hele tijd /gewerkt / ik / heb / .

18. Waarom draag je een jas in de klas ? Omdat / het / heb / ik / koud / .