Vragen stellen: waarom-omdat 2

iDevice-pictogram Geef antwoord op de vraag.
Lees de vraag. Geef antwoord. Gebruik omdat.
  1. Waarom ben je verdrietig. (Ik heb een slechte toets gemaakt.)
    Ik ben verdrietig omdat ik een slechte toets heb gemaakt.
  2. Waarom kom je morgen niet naar de les? (Ik moet naar de dokter.)
  3. Waarom lach je zo hard? (Karim vertelde een goede grap.)
  4. Waarom zijn jullie te laat? (De bus kwam niet.)
  5. Waarom draagt jouw zus een bril? (Ze ziet niet goed.)
  6. Waarom komen zij met de fiets naar school? (Ze sporten graag.)
  7. Waarom draagt Katleen 5 truien? (Ze heeft het altijd koud.)
  8. Waarom is meneer Kim boos? (De leerlingen maken hun huiswerk niet.)
  9. Waarom zijn de leerlingen blij? (De leraar is niet op school.)
  10. Waarom heb je jouw jas niet aan? (Ik heb het warm.)